Bij het Europese Hof van Justitie is een aantal Nederlandse BPM-zaken aanhangig over de BPM-heffing op geleende buitenlandse auto’s. De Advocaat-Generaal heeft in deze zaken zijn conclusie gepubliceerd.

Zo’n conclusie bevat een juridische uiteenzetting van de visie van de Advocaat-Generaal en fungeert als advies aan de rechters van het Europese Hof van Justitie. De uitspraak van het Hof zelf zal over enige tijd volgen.

De zaak betreft een bekend fenomeen: er rijdt een inwoner van Nederland in een buitenlands gekentekende auto. Veel van die situaties zijn gewoon toegestaan en betreffen meestal vrijstellingen voor medewerkers van buitenlandse bedrijven. Een andere belangrijke vrijstelling is de vrijstelling voor buitenlandse huur- en leenauto’s. Deze vrijstelling geldt voor maximaal 2 weken en moet voor aanvang van het Nederlandse weggebruik aangevraagd worden.

Deze vrijstelling is begin 2007 weliswaar verruimd tot 2 weken, maar de vraag is of heffing bij het begin van het Nederlandse weggebruik sowieso wel is toegestaan. De drie procedures betreffen inwoners van Nederland die om niet een auto van een buitenlands familielid hebben geleend en daarmee in Nederland een rit hebben gemaakt. Zij beriepen zich op het Europese Verdrag en vooral op het daarin opgenomen recht op vrij reizen en verblijven.

De Advocaat-Generaal is van mening dat een BPM-heffing bij aanvang van het binnenlandse weggebruik inderdaad per saldo neerkomt op een gebruiksverbod. De belasting , oplopend tot ongeveer de helft van de waarde van de auto, is immers een veelvoud van de economische waarde van het gebruik.
Ook vindt hij dat het argument van het tegengaan van belastingontwijking onvoldoende om zo’n hoge heffing te heffen. Vanzelfsprekend is het wel mogelijk om adequaat toezicht te houden op de bruikleen om niet van auto’s vanuit het buitenland. In de procedure kwam de huidige vrijstelling van maximaal twee weken niet aan de orde omdat deze op het moment dat de drie naheffingen werden opgelegd nog niet in die vorm bestond. Desondanks is het niet uitgesloten dat ook wanneer niet alle voorwaarden van die vrijstelling zijn nageleefd of die vrijstelling niet eens is aangevraagd, toch BPM-heffing achterwege dient te blijven op buitenlandse leenauto’s.

De BPM in Europees perspectief

Het Europese recht biedt lidstaten de ruimte om een registratie belasting op auto’s te heffen; veel lidstaten doen dit ook. Het is echter moeilijk dit op zo’n manier te doen, dat enerzijds gebruikteauto’s afkomstig uit andere lidstaten niet te zwaar worden belast, en anderzijds de binnenlandse autohandel niet wordt benadeeld.

De Europeesrechtelijke principes moeten gerespecteerd worden:

• De belasting op een gebruikt voertuig uit een andere lidstaat mag niet, ook niet in een klein aantal gevallen, hoger zijn dan de belasting die nog drukt op een vergelijkbaar binnenlands voertuig.

• De heffing van buitenlandse voertuigen die hier tijdelijk worden gebruikt, bijvoorbeeldhuurauto’s, mag niet leiden tot een belemmering van het vrije dienstenverkeer.

De Wet BPM is in de laatste jaren een aantal maal aangepast om deze te conformeren aan deze principes. Desalniettemin blijft deze belasting gevoelig voor Europees rechtelijke problemen.Rechterlijke uitspraken op dit vlak leiden soms tot een systematische bevoordeling van geïmporteerde gebruikte auto’s, en daarmee tot een benadeling van de Nederland nieuw verkochte voertuigen. Ik hecht belang aan een gelijk speelveld in deze markt en vind zo’n benadeling daarom onwenselijk. Daarnaast kan een bevoordeling van de import van gebruikteauto’s de opbrengst van de BPM onder druk zetten en de waarde van de BPM als beleidsinstrument aantasten. Wanneer dit noodzakelijk blijkt zal ik nadere wetswijzigingen voorstellen om wederom een gelijk speelveld te creëren. Een eenvoudige oplossing voor deze problematiek bestaat niet.Robuustheid van de autobelastingen is echter een speerpunt. Door de Europese Commissie voor2011 aangekondigde initiatieven om fiscale obstakels op het gebied van autobelastingen aan te pakken zie ik met belangstelling tegemoet.

Let voor een succesvol bezwaar op de fiscale spelregels

Op 24 augustus 2011 is een uitspraak gepubliceerd waarin Rechtbank Breda zich uitspreekt over de fiscale spelregels van bezwaar en beroep: belangrijke spelregels die een zaak kunnen maken of breken.

Het ging in deze zaak om iemand die aangifte BPM heeft gedaan voor een gebruikte auto. De inspecteur was van mening dat het te betalen bedrag zo’n vier keer hoger moest zijn. In een brief schreef hij dat hij het voornemen had af te gaan wijken van de aangifte. Tegen die brief is bezwaar gemaakt. Formeel kan dat niet, maar de inspecteur heeft zich er wel inhoudelijk over gebogen en het afgewezen. In de daarop volgende beroepszaak verklaart de rechter deze zaak alsnog niet-ontvankelijk: de zaak wordt dan inhoudelijk niet behandeld. Tegen de aankondiging kon namelijk nog geen bezwaar gemaakt worden: dat kan formeel pas tegen de naheffingsaanslag.

1
Hoi, klik voor Whatsapp! Alleen op maandag t/m vrijdag 08:00 tot 18:00. Wegens extreme drukte ben ik niet altijd in staat te reageren.